Alles begint met drie vormen
Kijk eens goed naar een tekening van een kat. Of een huis. Of een raket. Ze lijken misschien moeilijk, maar stiekem bestaan ze bijna altijd uit dezelfde drie vormen: een cirkel, een vierkant en een driehoek. Als je die drie onder de knie hebt, kun je al heel veel tekenen.
De cirkel
Een cirkel tekenen is lastiger dan het lijkt. Geen zorgen als hij een beetje scheef uitkomt. Dat is normaal, ook voor echte tekenaars. Het helpt om eerst een kruisje te tekenen: een streepje naar rechts en een streepje naar beneden. Dat is je middelpunt. Teken daarna de cirkel er omheen, in één soepele beweging. Oefen het gewoon een paar keer.
Waarvoor gebruik je een cirkel? Voor hoofden, zonnen, ballen, appels, wielen en nog veel meer.
Het vierkant
Een vierkant heeft vier gelijke zijden en vier rechte hoeken. Teken hem rustig, streep voor streep. Een rechthoek is een broertje van het vierkant, alleen een beetje langer. Je gebruikt vierkanten en rechthoeken voor huizen, ramen, boeken, dozen en auto's.
De driehoek
Een driehoek heeft drie hoeken en drie rechte zijden. Begin met een horizontale streep onderaan. Trek daarna twee lijnen omhoog die samenkomen in een punt. Driehoeken gebruik je voor daken, bergen, vlaggen en punthoeden.
Combineer ze
Nu komt het leuke gedeelte. Je kunt de vormen samenvoegen. Een huis is een vierkant met een driehoek erop. Een ijsje is een driehoek met een bolletje. Een gezicht is een grote cirkel met twee kleine cirkels als ogen.
- Cirkel + driehoek = ijsje of snoepje
- Vierkant + driehoek = huis of vlag
- Drie cirkels = sneeuwpop of beer
- Cirkel + rechthoek = lolly
Probeer het zelf
Pak een leeg vel papier en teken de drie basisvormen naast elkaar. Maak ze daarna groot, dan klein, dan scheef. Kijk welke dingen je ermee kunt maken. Er is geen fout antwoord. Hoe meer je oefent, hoe soepeler je hand wordt. En voor je het weet teken je een heel tafereel met niets anders dan rondjes, blokjes en driehoekjes.